Dat studenten in een international classroom het spoor bijster kunnen raken is niet nieuw. Al eerder hebben onderzoekers aangetoond dat verschillende culturele achtergronden in het onderwijs gepaard gaan met verschillende verwachtingen en uiteenlopende stijlen van communiceren, schrijven en studeren. Tegelijk laten andere studies zien dat studenten met verschillende nationaliteiten wél goed kunnen samenwerken en van elkaar leren. Onder meer blijken ze beter in staat om te reflecteren.
Maar hoe ziet de ideale onderwijsgroep eruit? Wat betekent dat voor de studieresultaten? En hoe belangrijk is fysieke aanwezigheid? Dat beschrijven Patrick Bijsmans (UM) en Arjan Schakel (Universiteit van Bergen, Noorwegen) samen met twee voormalige Fasos-studenten in een wetenschappelijk artikel dat onlangs is gepubliceerd in het European Journal of Higher Education.
Koreaan
De auteurs hebben vier cohorten eerstejaars van de bachelor European Studies onder het vergrootglas gelegd, in de periode van 2012 tot 2016. Van deze 836 studenten vormden Duitsers de grootste groep (40 procent), gevolgd door Nederlanders (14), Belgen (12), Italianen (7) Britten (6) en overige nationaliteiten (21).
Van al deze eerstejaars is in kaart gebracht hoe ze presteerden op toetsen, hoe vaak ze aanwezig waren, en uit hoeveel nationaliteiten de onderwijsgroep bestond. Wat bleek: in onderwijsgroepen met drie tot zes nationaliteiten gedijen studenten het best. Het optimum ligt bij vier nationaliteiten, wat in een onderwijsgroep van twaalf bijvoorbeeld neerkomt op drie studenten per land. Dan scoren studenten gemiddeld een cijfer dat 0,5 tot 0,8 punt hoger ligt.
Bij slechts twee nationaliteiten kan het lastiger zijn om samen te werken, zegt Bijsmans via Zoom. "Dan ontstaan al snel twee groepen die hun eigen lijn trekken. Bij zeven of meer nationaliteiten loert het gevaar van lost in translation. Dan heb je te veel perspectieven die moeten worden samengebracht. Het betekent ook dat je veel eenlingen in de onderwijsgroep hebt. Denk aan een enkele Koreaan of Fin, die niet bij landgenoten een Engelse uitdrukking kan checken, om maar eens iets te noemen."
Vervolgonderzoek
Bijsmans raadt faculteiten aan om meer aandacht te besteden aan de samenstelling van de onderwijsgroepen. Iets wat ook in didactische trainingen voor docenten (BKO of CPD) aan bod zou kunnen komen. "Wat doe je bijvoorbeeld met die Koreaan of Fin? Hoe zorg je ervoor dat die aansluiting vindt bij de rest?"
Opvallend is dat Nederlandse en Britse studenten het minst lijken te profiteren van de international classroom."Misschien ligt het aan de taalvoorsprong, De Britten en Nederlanders beheersen het Engels beter dan de andere nationaliteiten. Bovendien zijn Nederlanders vertrouwd met het zelfstandige leren, dat op de middelbare school al wordt aangemoedigd."
Voorwaarde voor 'de ideale onderwijsgroep' is dat studenten minstens 80 procent van de tijd aanwezig zijn. Het verschil tussen 70 en 100 procent aanwezigheid bleek een heel punt. "Al hebben we niet gekeken naar de manier waarop studenten aanwezig zijn. Sommigen sluiten zich helemaal af, anderen letten wel op maar zeggen weinig, en weer anderen doen volledig mee."
Dit komt wel aan bod in een vervolgonderzoek, waaraan de meeste Maastrichtse faculteiten meedoen. "In die studie, die ik samen met Carla Haelermans van SBE doe, zit ook een kwalitatieve component, waarin we studenten en docenten vragen naar hun ervaringen."